|
|
Vele schietsporten zijn lang geleden ontstaan en hebben in ons land een lange traditie. Vanaf het begin van de veertiende eeuw werden de eerste schuttersgilden opgericht. Met de intrede van de vuurwapens omstreeks 1500 verminderde echter het belang van de bogen. Naar het voorbeeld van de boogschutters richtten de geweerschutters eveneens gilden of schutterijen op. Vroeger was het doel van de schutterijen het beschermen van de inwoners, tegenwoordig gaat het om een vrijetijdsbesteding. Net zoals het boogschieten is het schieten met het geweer geëvolueerd tot een traditionele sport.
Een bijzondere discipline is het schieten met een 6 mm karabijn op een klep. Het klepschieten is eigenlijk een variant van het buksschieten dat kort na de Tweede Wereldoorlog tot ontwikkeling gekomen is. De klepschutters hebben zich verenigd in het Limburgs Provinciaal Klepschuttersverbond. Klepschieten is een vorm van doelschieten. Dat betekent dat er wordt geschoten vanaf een vast schietpunt naar een doel. De schietstand bestaat uit een schietboom van 19 á 20 mtr. hoog en een aanlegpaal met drie aanlegpinnen.
De aanlegpaal staat op zes mtr. van de schietboom verwijderd. Het doel, bovenaan op de schietboom, is een scharnierend metalen plaatje, de klep, met een diameter tussen de 20 en 30 mm. Als men het doel goed geraakt heeft kantelt de klep achterover. Met een optrekkoord kan de klep opnieuw in de beginstand gebracht geworden. Vroeger werd er op de blote klep geschoten maar tegenwoordig zijn de kleppen voorzien van een kogelvanger, wat meer veiligheid garandeert en ook beter is voor het milieu.
Bij het klepschieten gebruikt men een 6 mm karabijn. De schutters leggen bij het mikken hun geweer op een aanlegpaal die als steunpunt dient. Een ploeg bestaat uit 6 schutters die elk 6 kogels afschieten. De ploeg die de meeste punten scoort wint de wedstrijd. Bij gelijke stand wordt 'gekaveld' tot de winnaar gekend is.